Doorgaan naar de inhoud
Uw zoekacties: Transcripties

Transcripties ( Collectie Overijssel locatie Zwolle )

beacon
52.249 transcripties
sorteren op:
 
 
Pagina: 6
 
 
Erfgoedstuk
Scan bij een inventarisnummer
1001 UT Nieuws, 24 (12-03-1987)
Jaargang:
24
Aflevering:
10
Jaar:
12-03-1987
Beschrijving:
Editie 10
Bekijk archieftoegang:


universiteitsblad twente

12 maart 1987
pagina 9
Inspecteur bekijkt bij universiteiten of hun kwaliteitsbewaking deugt
Internationale context
Prof. dr. D.W. Bresters (51) is sinds I februari van dit jaar de eerste Inspecteur van het weten- schappelijk onderwijs. In een vorig leven was hij hoogleraar wiskunde en rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam en daar- voor, in de jaren zestig en beginjaren zeventig wetenschappelijk medewerker bij de afdeling TW van de Universiteit Twente. De kersverse inspecteur heeft nog geen kantoor, officieel nog geen collega en ook nog geen enkele 'ondersteu- ning’. Hij is zich bewust van de scepsis van de universiteiten, maar ziet zijn nieuwe taak met enthousiasme tegemoet. Een gesprek.
’De geluiden dat je de Inspectie buiten de deur moet houden, hoor ik niet meer zoveel. Die zijn wel heel sterk geweest, in het begin, voort- komend uit de gedachte: dat zal wel net zoiets worden als in het basisonderwijs. De inspec- teur die zo nu en dan eens komt kijken of de kleur van de gordijnen wel redelijk is en of de toiletten wel schoon zijn. En die met het schoolbestuur praat. Maar zoiets wordt het na- tuurlijk niet.
Het werk van de Inspectie is complementair. Dus als u nou zegt: u gaat zorgen voor de kwa- liteit van het onderwijs, dan zeg ik nee: de eersten die daarvoor moeten zorgen, zijn de instellingen zelf, via een systeem van kwali- teitsbewaking. De Inspectie beoordeelt in de eerste plaats dat systeem. Daarnaast kan Zij witte plekken opvullen: zelf visitaties doen en bijvoorbeeld kijken naar het internationale kader van het WO. Er zijn allerlei signalen, van de OECD, de RAWB, de Europese Com- missie, dat het Nederlandse onderzoek de nei- ging heeft introvert te zijn. Zich weinig in in- ternationale context beweegt. Dan kun je je afvragen: is dat echt zo? En: wat zou je eraan kunnen doen? Ander voorbeeld: de recente ontwikkeling van de geweldige hoeveelheid deeltijdopleidingen. Hoe staat het daarmee? Dat zijn dingen die je zelf, als Inspectie, kunt initieren.
Tweejaarlijks
Er is natuurlijk wel afgesproken dat de Inspec- tie niet in het wilde weg aan het werk gaat. Tweejaarlijks komen er evaluatieplannen: van de instellingen en, op basis daarvan, van de minister. Zodat het veld niet op ieder ogenblik overdonderd kan worden door een onderzoek

van de Inspectie waarop niemand gerekend had.
Visitatiecommissies zullen van die plannen een belangrijk onderdeel vormen. Commissies die de instellingen langs gaan, de stand van zaken beoordelen en eventueel wijzigingen advise- ren. Die commissies gaan kijken naar de doel- stellingen van een opleiding, de eindtermen, hoe geeft men die vorm in een programma. Naar werkvormen: hoe wordt het onderwijs gegeven, wat is het aanbod van keuzevakken en bijvakken? En ook heel belangrijk: wat is het onderwijsbeleid van een faculteit? Welke verzorgingsstructuur is er? Studiebegeleiding, advisering, coordinatie: wat gebeurt er op dat gebied? Wat doet men aan het probleem van de drop-out?
Maar ook: hoe is de relatie met het onderzoek? Hoe geeft men vorm aan de taak om mensen op te leiden tot onderzoeker? Wat is het oor- deel van het beroepsveld? In hoeverre voldoet een opleiding aan wat in het beroepsveld nood- zakelijk wordt geacht? En: wat is het voorzie- ningenniveau? Apparatuur, de mogelijkheden om buitenlandse gasten aan te trekken.
Bresters (UP-foto Maarten Hartman) Ik denk sterk aan commissies op studierich- tingsniveau. Hele universiteiten beoordelen heeft weinig zin: dat is zo complex en daar komt toch weinig discriminerends uit. Je zult misschien wel wat moeten clusteren, want an- ders moet je dertig, veertig studerichtingen langs. Iedere vijf jaar. Dat is in de WO-kamer afgesproken, maar ik betwijfel of het haalbaar is. De eerste keer misschien, maar daarna: je moet met dit soort dingen altijd voorzichtig zijn.
Een redelijk dekkend systeem opzetten, maar niet weer een zware bureaucratie. Het moeten kleine commissies blijven: maximaal vijf man. Een buitenlander en vier Nederlandse deskun- digen. Erkende deskundigen. Het valt niet te vermijden dat die vaak aan een instelling ge- bonden zullen zijn. Zo’n commissie bezoekt alle instellingen waar een studierichting aan- wezig is. Praat met de mensen daar. Met ie- mand van het faculteitsbestuur, iemand van de commissie onderwijs en wetenschapsbeoefe- ning, met studieadviseurs en met individuele
speel
t rol
docenten en studenten. Niet te veel, want dan blijven ze de hele week. Twee dagen moet vol- doende zijn. Dat doen ze in de Verenigde Sta- ten en Engeland ook. Kijk, als je een absoluut volledig en gefundeerd oordeel over een stu- dierichting wil geven, moet je er een jaar gaan werken.
Algemeen oordeel
Het eindrapport van een visitatiecommissie moet in de eerste plaats een algemeen oordeel geven: wat is, ook in internationale context, het niveau? Verder somt het wellicht op: daar en daar hebben we dat en dat manco gesigna- leerd. Het belangrijkste is dan natuurlijk de follow-up: doet men er iets mee?
Het ultimum remedium is een negatieve bekos- tigingsverklaring. Door de minister, maar voor het zover is, ben je een heel eind verder. Hij begint natuurlijk met te zeggen: ik heb hiereen oordeel, ik heb wat zorgen, ik vind dat u daar wat aan moet doen. Je kunt dan afspreken dat je na twee, drie jaar nog eens terug komt. Voor een geisoleerd onderzoek. Blijkt er dan niks te zijn gebeurd, ja, dan moet je tegen de minister zeggen: minister, u moet iets doen. Er zijn nog allerlei onzekerheden. Veel moet nog bespro- ken worden. Dit jaar beginnen we met twee proef-visitaties. Ik zou dat bij voorkeur samen met de instellingen doen.
Kosten
Wat we ook nog niet weten: wat gaat het alle- maal kosten? Je hebt zo’n deskundige zes we- ken nodig. Zijn de instellingen bereid om hun mensen zo lang af te staan? Of zeggen ze: mi- nister, u stelde het dagtarief voor een hoogle- raar ooit op 1500 gulden, dus: kassa! De KNAW-commissie die de scheikunde door- lichtte, kostte drie ton. Nou, neem de helft: anderhalve ton. Veertig studierichtingen in vijf jaar betekent dan zes miljoen gulden per periode. Zo bekeken kunnen de instellingen de visitatie beter door de Inspectie laten doen. Nee, serieus. Kwaliteitsbeoordeling is in het belang van de instellingen. De concurrentie wordt groter: de slag om de student woedt in alle hevigheid. Dure advertentiecampagnes als van de Limburgse universiteit zijn heel aardig, maar nog beter is natuurlijk een openbaar rap- port waarin gewoon staat hoe goed je bent.’
REMCO POLS

Tekon op weg naar eerste divisie
(door Harold de Boer)
Spelers en fans van de UT-basket- balvereniging, Tekon Arriba, weten het al zeker: Heren 1 wint de compe- titie en promoveert naar de landelij- ke eerste divisie. Nu met concurrent Prego/Cheetah is afgerekend (zater- dag gespeeld, stand 74 - 48), lijkt er geen vuiltje meer aan de lucht. Bij promotie zou Tekon het eerste team zijn dat, op basis van eigen kweek en louter bestaande uit studenten, die stap naar het landelijke basketbal gaat maken.
De coach van Tekon, André Ligt- hart.. ’We hebben nog
vier wedstrijden te gaan, waarin we geen fouten mogen maken. Aan-

Discussie
De Studenten Raad Drienerlo orga- niseert vanavond (donderdag 12 maart) een discussieavond in De Vrijhof over de onlangs door de SRD uitgebrachte nota ’Studenten over onderwijs en onderzoek’. De bedoeling van deze nota is de discus- sie over beide genoemde onderwer- pen onder studenten te stimuleren. De bijeenkomst, die bedoeld is voor alle SRD-leden, begint om acht uur. Na een uiteenzetting over de bedoe- ling van de nota, zal in groepjes gediscussieerd worden over de nota en over het funktioneren van studen- ten in een raad.
staande zaterdag moeten we ’uit’ tegen Batouwe. Alle topclubs heb- ben daar nog verloren. Als we niet uitkijken zullen we nog een beslis- singswedstrijd tegen de Basketiers moeten spelen
Voorbeeld : Klik op de tekst voor meer
Organisatie: Collectie Overijssel locatie Zwolle
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Scan bij een inventarisnummer
1001 UT Nieuws, 24 (12-03-1987)
Jaargang:
24
Aflevering:
10
Jaar:
12-03-1987
Beschrijving:
Editie 10
Bekijk archieftoegang:
IE
pagina 10
12 maart 1987
universiteitsblad twente
Headhunter W. de Man vindt ingenieurs praktischer dan vroeger
’'Management voor student gezond’
(door Menno van Duuren)
W. de Man is directeur van het bureau De Man & Part- ners, technical management consultants in Bussum en houdt op donderdag 2 april een lezing op het symposium over „Afgedwaalde ingenieurs”, dat door de studievere- nigingen Isaac Newton (WB) en Alembic (CT) op de UT
wordt gehouden.
Het bureau van De Man is een van de 250 á 300 adviesbu- reaus voor werving en selectie die Nederland rijk is. Vooral na 1970 is de branche van dit soort adviesbureaus sterk gegroeid: 40% van de bureaus is zelfs niet ouder dan
Vijf jaar.
In 40% van de gevallen wordt door de bureaus een kandidaat gezocht en gevonden via eigen contacten in het niet-openbare circuit, dus zonder het plaatsen van advertenties; 63% van de bureaus zegt daarbij gebruik te maken van hun bestanden van kandidaten die zich ooit spontaan bij hen hebben aangemeld. Eénderde deel van de bureaus bemiddelt ook bij vacatures in het buitenland.
Het opleidingsniveau van het perso- neel waar de W&S-adviseurs de grootste vraag naar krijgen, ligt voor 33% op universitair en voor 45% op hbo-niveau. Het soort functies waar de meeste ’gezochten’ in terecht ko- men is in 33% van de gevallen com- mercieel, terwijl 20% procent wordt doorgesluisd naar automatiserings- functies. Ruim eenderde van de be- treffende functies ligt op topniveau, 28% betreft kader- en 26% staf- functies. Meer dan 87% van de kan- didaten komt in de profit-sector te- recht, 47% belandt in de industrie. De salarissen die de bedrijven aan deze specifieke functionarissen bie- den, bewegen zich tussen de f 60 000 en 169.000.
We zochten de heer De Man op in zijn kantoor in Bussum en stelden hem een paar vragen.
Om een indruk te krijgen van de werkwijze van een headhunters-bu- reau: hoe verloopt het zoek- en selec- tieproces vanaf het moment dat u een opdracht krijgt tot het moment waar- op de gezochte figuur in het bedrijf op zijn plaats zit ?
De Man: ’In de regel zoeken we niet naar opdrachten. We worden meest- al gebeld door een bedrijf dat met een specifiek vacatureprobleem zit,
en dat ons - via via - al kent omdat we,
gespecialiseerd zijn op het gebied van de technische beroepen. Dat kan bijvoorbeeld een bedrijf zijn dat al een tijd op zoek is naar een re- search en development-manager of een hoofd engineering in de bulk- goedoverslag en maar geen geschik- te kandidaat kan vinden.
Dan gaan we eerst naar dat bedrijf toe om te praten, om de functie door te lichten, de werkplek en de omge- ving te leren kennen. Als we op die manier een profiel gekregen hebben van de functie en de gezochte kandi- daat, zijn er drie manieren om met potentiële geschikte krachten in con- tact te komen: we plaatsen een ad- vertentie, we halen een paar namen uit ons bestand (per dag schrijven ons namelijk meerdere mensen die op zoek zijn naar een bepaalde baan), of we gaan bellen naar maat- schappijen, bedrijven en ingenieurs- bureaus die we goed of minder goed kennen, maar die altijd bereid zijn ons verder te helpen. Dan vallen er op een gegeven moment een paar namen en dan gaan we bellen: heb je interesse voor die en die baan en zo ja, wil je meedoen aan een selectie- procedure.’
Interview
’We houden dan met de betrokke- nen een interview van ongeveer twee uur (voor figuren met veel ervaring heb je dat meestal wel nodig) en dan
bekijken we: wat kan-ie, wat voor type is het, wat zijn z’n sterke en zwakke kanten, past de nieuwe func- tie bij zijn carrièreverloop, sluit dat aan bij zijn verwachtingen, etcetera. Meestal blijven er dan twee tot drie kandidaten over die we aan de op- drachtgever voordragen en begelei- den we de definitieve selectieronde tot aan het eind.’
De term 'head hunter’ geeft eigenlijk aan dat er een prijs is uitgezet op het hoofd van een gezocht persoon en suggereert bovendien iets van wild- west taferelen. Heeft u er bezwaar te- gen dat uw beroep met die naam wordt aangeduid?
De Man: ’Nee. Maar ik ben ook eigenlijk geen hele echte headhun- ter. Een echte headhunter werkt op no cure no pay basis en weet de beste topman te strikken voor de organisa- tie waar ze die zoeken. Wij werken op contractbasis, krijgen ons hono- rarium in drie stadia van de selectie- procedure betaald en richten ons niet op de topjongens maar meer op de categorie daar net onder.
Wat betreft die wild-west taferelen: het is natuurlijk zo dat er ook in dit vak een paar vlotte ritselaars rondlo- pen die ons vak een bepaald etiket geven, maar de bureaus die zich serieus met dit vak bezighouden zijn aangesloten bij de OAWS (de Orde van Adviseurs voor Werving & Se- lectie) en houden zich aan de ge- dragscode die door de orde is opge- steld, ook al is er sprake van concur- rentie omdat er altijd een tekort is aan echt hele goeie mensen. Een van de voorwaarden uit de gedragscode is dat er maar één bureau aan de op- dracht van het betreffende bedrijf mag werken.
Borreltafel
’Veel mensen hebben het idee dat er in dit vak veel aan de borreltafel ge- regeld wordt, maar dat werkt na- tuurlijk voor geen hout! Als wij de opdracht krijgen om een algemeen directeur te zoeken, dan krijgen we te maken met de wensen van het zit- tende managmentteam, van de Raad van Commissarissen en met die van de op te volgen directeur. Aan zo’n opdracht werken we met twee con- sultants die pas een uiteindelijk voorstel doen na een hele serie selec- tiegesprekken. Daar komt geen bor- reltafel aan te pas.’
Hooggekwalificeerd personeel voor specifieke functies wordt vaak ge- zocht door grote bedrijven. Dat soort bedrijven beschikt meestal toch zelf wel over een uitgebreid wervings- en selectieapparaat. Waar is uw bureau dan nog voor nodig ? Een advertentie zetten kunnen die bedrijven zelf ook wel.
De Man: ’Het is soms beter als een bedrijf in het eerste wervingsstadi- um in de anonimiteit blijft. De ad- vertenties die ons bureau opstelt en plaatst, hebben alleen al doordat onze naam er bij staat en niet die van een specifiek bedrijf een heel open karakter en nodigen meer uit tot het vragen van informatie. Je moet niet
W. de Man
vergeten dat iemand die bijvoor- beeld jarenlang voor Siemens ge- werkt heeft, automatisch een be- paalde vooringenomenheid heeft opgebouwd ten opzichte van een naaste concurrent. Zo iemand solli- citeert niet gauw op een advertentie van Philips, want dat voelt hij bijna als een misdaad. Zulke mensen pro- beren we via een omweggetje te bereiken. Als ze eenmaal geschre- ven hebben en meer weten over de betreffende baan dan is de grootste drempel al weggevallen. Bovendien komt het voor dat de advertenties die de bedrijven zelf zetten, niet altijd even fo the point zijn, omdat ze twee dingen tegelijk willen, name- lijk zichzelf profileren en aandacht vragen voor een vacature’.
Lijnfunkties
Naar wat voor soort ingenieurs krijgt u de meeste vraag en om wat voor aantallen gaat het dan: is daar- aan een advies voor studenten te ver- binden voor het kiezen van een be- paalde studierichting of vakkenpak- ket ?
De Man: ’Over aantallen praat ik liever niet, want dat zijn concurren- tiegegevens. Maar laat ik het in per- centages uitdrukken: ruim een derde deel van de mensen met een techni- sche basisopleiding die wij zoeken moeten ingenieurs zijn met een uni- versitaire opleiding, de rest varieert van hts-er tot farmaceut. Wat mij zelf opvalt is dat de TU-ingenieurs van de laatste jaren praktischer zijn ingesteld; ze hebben meer belang- stelling voor /ijn-functies waarin ze betrokken zijn bij de uitvoering van en het leiding geven aan het produc- tieproces. Ik weet niet of dat aan de opleiding zelf ligt of aan het type mensen dat die opleiding volgt.
Een goeie ingenieur moet een be- paalde geaardheid hebben die bij een bepaalde functie past. Een inge- nieur die een computerzaak wil run- nen, moet in de eerste plaats een goed ondernemer zijn. Dat telt. Zijn ingenieur-zijn helpt hem daar alleen maar bij. Op den duur moet je, in welke positie dan ook, boven je opleiding uitgroeien: je begint als specialist en als je in de top terecht-
Voorbeeld : Klik op de tekst voor meer
Organisatie: Collectie Overijssel locatie Zwolle
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Scan bij een inventarisnummer
1001 UT Nieuws, 24 (12-03-1987)
Jaargang:
24
Aflevering:
10
Jaar:
12-03-1987
Beschrijving:
Editie 10
Bekijk archieftoegang:
2ss8 g E e S e m s wm n E S a >‚
EGEE Enschede start ambitieus
universiteitsblad twente

Corinne de Kater en Eric Keimpema
Studenten in touw voor een verenigd Europa
(door Guusje van Vollenhoven)
Sinds kort valt hier en daar op de campus iemand te be- wonderen die een licht- paarse sweater aanheeft met de letters EGEE erop. Die studenten zijn lid van de Enschedese onderafde- ling van de Europese stu- dentenorganisatie EGEE (Les Etats Généraux des Etudiants de MEurope). De Enschedese onderafdeling bestaat pas een kleine vier weken en wordt begin april op feestelijke wijze offi- cieel opgericht.
EGEE is een a-politieke, onafhan- kelijke studentenvereniging voor ie- dere scholier of student die de Euro- pese gedachte aanhangt. Haar doel, de eenwording van Europa, wil de vereniging bereiken door studenten en scholieren van allerlei opleidin- gen en studierichtingen en uit alle landen in Europa met elkaar in con- tact te brengen. Iedereen die een opleiding volgt en tussen de 17 en plusminus 30 jaar is, kan lid worden van EGEE, en als zodanig deelne- men aan EGEE-congressen en -ma- nifestaties. Tijdens die internationa- le gelegenheden kunnen leden el- kaar ontmoeten en gedachten en ideeën uitwisselen. Leden krijgen de kosten van overnachting, eten, con- gresmap en dergelijke betaald, al- leen de reiskosten komen voor eigen rekening.
Eric van Keimpema (EGEE-En- schede-president en vierdejaars BK- student UT) en Corine de Kater (pr- vrouw van EGEE-Enschede en tweedejaars BSK-studente aan de heao) vertellen hoe de piepjonge Enschedese afdeling ontstaan is en wat de plannen zijn. ’We zijn eerst naar het EEG-jaarcongres geweest, vorige maand in Leiden (zie ook Universiteitsblad Twente van 19 fe- bruari, red.) en dat was heel inspire- rend. Zoveel verschillende mensen bij elkaar van zoveel nationaliteiten en toch allemaal met hetzelfde doel: dan krijg je echt het gevoel dat de grenzen open kunnen. We kwamen
helemaal enthousiast terug, en dat enthousiasme werkt door: we heb- ben al meer dan zestig leden terwijl we nog niet eens officieel begonnen zijn. Inmiddels heeft ook rector magnificus Van den Kroonenberg zijn medewerking toegezegd.
EGEE-Enschede is nu activiteiten aan het plannen. Corine: ’Sosieso komt er een krant, één keer per twee maanden, en waarschijnlijk ook een nieuwsbrief met ’plaatselijk nieuws’; de officiële oprichting van onze afde- ling staat voor de deur en we gaan een congres voorbereiden dat eind dit jaar, begin volgend jaar plaats zal vinden. Iedere /ocal of plaatselijke afdeling moet zich presenteren met een congres of een manifestatie, en wij nemen als onderwerp: techni- sche en economische aspecten van communicatie. Daarnaast gaan we een Eurolympics organiseren in 1988. Bedoeling is dat EGEE-leden in Athene de fakkel opnemen en beginnen te lopen, en dat die fakkel steeds overgenomen wordt door an- dere leden; de route zal langs alle lo- cals in Europa voeren, van Athene tot Enschede. We hebben dat plan in Leiden aangekaart en iedereen was enthousiast.’
Eric: ’Die afstand kunnen we zeker overbruggen: EGEE is in 1985 in Pa- rijs opgericht door Franse en een paar honderd buitenlandse studen- ten, inmiddels zijn er veertig lokale besturen en meer dan 10.000 leden. Dagelijks komen er nieuwe leden bij.’
Het benodigde geld voor alle con- gressen en manifestaties (zoals dit jaar ski-wedstrijden, zeil- en golf- wedstrijden, en een internationale filmweek), is afkomstig van spon- sors, vertelt Corine. Twintig studen- ten van diverse nationaliteiten ko- men elke twee maanden bijeen om de activiteiten van het netwerk aan locals te coördineren. De EGEE steunt ook het Erasmusproject dat studenten wil stimuleren om een poosje in het buitenland te studeren of daar een stage te lopen. Eric: ’'We zijn bezig formulieren te sturen aan bedrijven met de vraag of ze een bui- tenlandse student in dienst willen hebben, en zo ja met wat voor oplei- ding; en voor studenten komt er een formulier waarop die hun wensen en
voorkeuren kunnen uitspreken. Dat stageproject is overigens nog maar pas gestart, maar het ziet er naar uit dat er veel belangstelling voor is, van beide partijen.’
Lidmaatschap van EGEE kost f40,-. Leden krijgen de nieuwsbrief en kunnen gratis naar alle evenementen en congressen waar ook in Europa. De lichtpaarse sweater is eveneens te verkrijgen voor f40,-.

Commissie
Vervolg
missie- Dekker meegaven betreffen een een strukturele verhoging en uitbreiding van het STW- budget, plus een goed georganiseerde struk- tuur waarbinnen de kennisover- dracht van de technische universitei- ten naar de gebruikers is geregeld.
De drie tu’s voerden ook aan dat ze ’worstelen met de arbeidsvoorwaar- den van hun personeel. De salarie- ring van de aio’s is laag en ook het midden en topkader kan buiten de universiteit vaak signifikant meer verdienen. Het universitaire werk- klimaat en de onderzoeksmogelijk- heden wegen niet steeds tegen deze salarisverschillen op. In overleg met het bedrijfsleven wordt gezocht naar oplossingen voor de aio- problemen. Voor het topkader woreden oplos- singen gezocht in de aard van de aan- stelling’.
De Twentse CvB- voorzitter Cam- pagne verklaarde zich na afloop van de ontmoeting niet ontevreden. ’Er was geen enkel teken van een nega- tieve benadering van de drie tu’s, in- tegendeel. Wat wel opviel was dat er grote onbekendheid heerst over de rol en het funktioneren van de tech- nische universiteiten. Daar zullen we in de toekomst het nodige aan moeten doen. We zullen ons bera- den over de wijze waarop.’
Bert Groenman

Funktiewaardering. In zaal 6 van de Vrijhof zal de Abva-Kabo op dins- dag 24 maart om half één met haar leden van gedachten wisselen over functiebeschrijvingen en -waarde- ringen aan de UT.
12 maart 1987
pagina 11
Groencommissie verontrust
’Straks hangt er in elke wilg een reclamebord ’
(door Ria Boelens)
De groencommissie, de club die ge- vraagd en ongevraagd milieuadvie- zen verstrekt aan het College van Bestuur, heeft bange voorgevoelens als het gaat om reclame op het UT-
terrein. De verontrusting is gewekt
door een nieuwe regeling ’Reclame en Sponsoring op de campus’, die de Raad voor de Campusvoorzieningen in concept heeft goedgekeurd. In tegenstelling tot het oude reglement uit de zeventiger jaren, biedt het nieuwe reglement wél mogelijkhe- den voor permanente reclame op de campus.
’En dan kun je met je klompen wel aanvoelen welke kant het uitgaat’, aldus groencommissielid Minze van der Wijk. ’ Reclame past helemaal in de privatiseringsgedachte. Door bij- voorbeeld de aanleg van het kunst- gras-hockeyveld en de financiering ervan is de kwestie weer helemaal aktueel geworden. Straks hangt er in iedere wilg een bord!’
En dat is nu precies wat de groen- commissie wil voorkomen. Ze heeft het CvB verzocht om op korte ter- mijn een Reglement Reclame op te stellen voor het gehele UT-terrein, waarbij een uitvoeringscommissie alle reclameaanvragen dient te toet- sen aan de voorwaarden uit het re- glement. En tot die voorwaarden zal dan onder meer moeten behoren dat permanente reclame slechts kan worden toegestaan in de directe om- geving van bebouwingen, terwijl daarnaast paal en perk moeten wor- den gesteld aan de grootte van de re- clameborden en de hoogte waarop ze geplaatst worden. Lichtreclame moet volgens de groencommissie he- lemaal worden verboden.
Randvoorwaarde
Minze van der Wijk: ’In de Struc- tuurvisie 82 , die we als leidraad voor ons werk beschouwen, staat dat het landschappelijk karakter van het UT-terrein een essentiële randvoor- waarde is voor de verdere stede- bouwkundige ontwikkeling van het terrein. Reclameborden, hekwer- ken en verkeersborden horen niet in een landschapspark. We hebben dan ook gezorgd voor zo weinig mogelijk verkeersborden. Hekwerken zijn ook tot een minimum beperkt. Er ligt niet voor niets een aarden wal langs een gedeelte van het kunst- grasveld. Parkeerplaatsen zijn zo- veel mogelijk verdiept aangelegd, want al dat blik ontsiert het terrein. En wat die reclameborden betreft: die vervuilen het landschappelijk ka-
Voorbeeld : Klik op de tekst voor meer
Organisatie: Collectie Overijssel locatie Zwolle
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Scan bij een inventarisnummer
1001 UT Nieuws, 24 (12-03-1987)
Jaargang:
24
Aflevering:
10
Jaar:
12-03-1987
Beschrijving:
Editie 10
Bekijk archieftoegang:
em
_
pagina 12

12 maart 1987
universiteitsblad twente
Volkskrant schrijft vijf keer zo vaak over risico’s als de Telegraaf
Publiek duikt steeds meer in milieu- problemen door berichten in media
(door Guusje van Vollenhoven)
’Mensen maken zich meer bezorgd om milieuvervuiling en mogelijke milieurampen naarmate ze er vaker over lezen in hun eigen krant. De manier waarop kranten over dit soort zaken schrijven verschilt niet veel: in toon en in- houd ontlopen artikelen over milieurisico’s in de Tele- graaf, de Volkskrant, de Twentsche Courant en de Lim- burger elkaar nauwelijks, de Telegraaf leest alleen het makkelijkst, de Volkskrant het moeilijkst. De frequentie daarentegen verschilt aanzienlijk: de Volkskrant bericht vijf keer zo vaak over milieurisico’s als de Telegraaf; re- gionale bladen als de Twentsche Courant en de Limbur- ger liggen wat frequentie van milieuberichtgeving betreft, tussen deze twee grote landelijke dagbladen in. Die fre- quentie blijkt nauw samen te hangen met de mate waarin mensen zich identificeren met milieurisico’s, waarin ze het gevoel hebben ’dat kan mij ook overkomen’.’
Jan Gutteling, Henk Boer en Reinder Houwen (vakgroep psychologie, WMW) onderzoeken de rol die mas- sa-communicatie speelt bij het be- oordelen van technologische en mi- lieurisico’s. Onlangs verscheen een tussenrapport waarin ze de bericht- geving in de media analyseren; in hun eindrapport zullen de onderzoe- kers ook aanbevelingen doen over hoe de overheid de bevolking het beste kan voorlichten over technolo- gische en milieurisico’s.
Geen lezersmoeheid
Gutteling: ’Je zou verwachten dat er een soort lezersmoeheid optreedt als mensen steeds weer met dezelfde soort berichten geconfronteerd wor- den. Dat blijkt niet zo te zijn: een stroom berichten werkt juist als een motor: mensen willen er meer van weten en gaan informatie vergaren: in bibliotheken, bij de gemeente en de milieuinspectie en bij milieuvere- nigingen.
’De overheid en de industrie zijn op grond van de post-Seveso-richtlijn



(EEG-richtlijn ingesteld na de mi- lieuramp in Seveso/Italië, red.) ver- plicht de burger voor te lichten over mogelijke gevaren. De vraag is nu: wie neemt die taak op zich en hoe pak je die voorlichting aan. Bedoe- ling is natuurlijk om open kaart te spelen en zo objectief en eerlijk mogelijk informatie te geven. Het is echter heel goed mogelijk dat die handelwijze heel tegengestelde ef- fecten heeft: dat mensen zich ineens uiterst onveilig gaan voelen. ’Kranten passen een bepaald princi- pe toe: een verontrustend bericht wordt altijd weer gevolgd door een bericht waarin gezegd wordt dat het allemaal wel mee valt. Bij voorlich- ting is dat principe onbruikbaar, en dan wordt het een heikele onderne- ming. Uit eerder onderzoek blijkt dat mensen nauwelijks met kansin- formatie kunnen omgaan, dat de gemiddelde burger het heel moeilijk vindt om gevolgen te overzien. Men- sen denken haast in dichotome be- grippen: ’het is óf wel gevaarlijk, óf het is niet gevaarlijk’.’
Sterke toename
De drie psychologen namen in hun onderzoek twee landelijke dagbla- den onder de loep: de Telegraaf en

de Volkskrant, en twee regionale dagbladen: de Twentsche Courant en de Limburger. Van die vier kran- ten hebben ze zeven jaargangen doorgeploegd voor een steekproef waarin ze om de dag nagingen wat er in de kranten aan risicoberichtge- ving stond. Reinder Houwen: ’In de door ons onderzochte periode, 1977 tot en met 1984, was er een sterke toename van het procentuele aantal berichten over milieurisico’s. Ten opzichte van 1977 is in 1984 bij de Twentsche Courant het aantal be- richten meer dan verdubbeld, bij de Telegraaf is er een groei van tachtig procent, bij de Volkskrant een toe- name van zestig procent en bij de Limburger een toename van dertig procent. In absolute aantallen ge- zien echter heeft de Volkskrant de meeste milieuartikelen, gevolgd door de Limburger en de Twentsche Courant. Verreweg het geringste aantal artikelen verschijnt in de Te- legraaf.
’De presentatiewijze is in die zeven jaar niet erg veel veranderd, maar er is wel een verschuiving in aandacht. Regionale kranten hebben, zoals te verwachten was, meer aandacht voor regionale milieuzaken en lan- delijke kranten meer voor globale milieuonderwerpen die niet locatie- gebonden zijn, zoals zure regen of luchtverontreiniging. Voor allevier de kranten echter geldt dat er steeds meer beleidsmatige en opiniërende artikelen in staan, met name over milieuvervuiling, en steeds minder berichten over actuele incidenten. Na 1980 worden ook steeds minder berichten over milieurisico’s in het buitenland opgenomen.’
Minder dan de helft
Vergelijking van de kranteartikelen met de officiële persberichten zoals die door het ministerie VROM/VO- MIL uitgegeven worden, leverde het
v.Ln.r.: Houwen, Boer en Gutteling
D-

volgende beeld op. Persberichten over riskante activiteiten worden wèl gebruikt door de kranten, pers- berichten over specifieke onderwer- pen, zoals PCB's, nauwelijks. Bo- vendien komt meestal, na journalis- tieke bewerking, nog minder dan de helft van de informatie in het persbe- richt in het uiteindelijke krantearti- kel terecht. Henk Boer: ’Er zijn verschrikkelijk weinig artikelen waar echt een beeld geschetst wordt van de mogelijke gevaren. De arti- kelen gaan niet over het onderwerp
zelf, maar over de dingen eromheen.
De verschillende partijen komen aan bod: politici, boeren, fabrieksdi- recteuren, omwonenden. Die kun- nen allemaal hun zegje doen en dat betekent vaak dat de discussie over andere zaken gaat: over het dalen van de waarde van de huizen bij- voorbeeld, en niet over wat nu pre- cies het gevaar is.’
Drie onderwerpen
Naast het inventariser van de be- richtgeving in de media (radio en tv besteden in de actualiteitenrubrie- ken onevenredig meer aandacht aan milieurisico’s dan kranten, maar die media blijken volgens dit UT-onder- zoek de betrokkenheid bij die Tisi- co’s slechts marginaal te beïnvloe- den), onderzochten de drie psycho- logen hoe lezers verschillende risi- co’s beoordelen. Jan Gutteling: 'We namen drie onderwerpen: het wo- nen in de buurt van een riskante industrie, het wonen in een wijk met bodemverontreiniging, en de boven- grondse opslag van radioactief afval. Artikelen over een riskante indu- strie werden als het meest objectief
en het meest bedreigend gezien, arti- kelen over radioactief afval werden als het minst objectief en het minst bedreigend ervaren. Lezers hebben bij industrieën vaak het gevoel ’dat kan de overheid verbieden’; ten op- zichte van stralingsrisico’s lijkt het idee te overheersen ’daar kan je toch niets aan doen, dat overkomt je.’
De uitkomst van een enquete die de UT-onderzoekers specifiek in Lim- burg hielden, was dat mensen die in een straal van drie kilometer van het DSM-complex wonen, veel positie-

ver stonden tegenover ’wonen in de nabijheid van een grote chemische fabriek’, dan Limburgse responden- ten die er verder vandaan wonen. Die laatste groep had ook veel min- der vertrouwen in de huidige wet- en regelgeving. Jan Gutteling: ’Ook hier speelt de post-Seveso-richtlijn: mensen behoren informatie te krij- gen. Maar juist bij zulke negatieve informatie sta je steeds voor het dilemma: leidt meer informatie tot meer zekerheid, of juist tot gevoe- lens van onveiligheid.’

Statuut moet door- stroming bevorderen
Studenten aan de universiteiten mo- gen binnenkort ook onderwijs vol- gen aan een instelling voor hoger beroepsonderwijs. Dit is een van de veranderingen in het nieuwe Acade- misch Statuut, dat op 1 september van dit jaar in werking moet treden. De nieuwe mogelijkheid geldt alleen voor keuzevakken die vrij kunnen worden ingevuld. Doel van de wijzi- ging is de doorstroming tussen HBO en WO wederzijds te bevorderen.
Een andere bepaling in het nieuwe statuut is dat de studielast voortaan voor alle studies uniform moet wor- den uitgedrukt in studiepunten van veertig uur. Met de grotere verge- lijkbaarheid die daarvan het gevolg is, wordt beoogd het volgen van onderwijs buiten de eigen faculteit te stimuleren. Examens mogen in de toekomst alleen na instemming van de student in een vreemde taal wor- den afgenomen. Voor de talenstu- dies is die instemming niet nodig. De wettelijke regeling van het predikaat ’cum laude’ op de bul vervalt, maar de aantekening mag ook in de toe- komst nog wel op de diploma’s wor- den gebruikt.
Voorbeeld : Klik op de tekst voor meer
Organisatie: Collectie Overijssel locatie Zwolle
 
 
 
Pagina: 6